• Alles over de geschiedenis van Zoetermeer

    Afbeelding: Alles over de geschiedenis van ZoetermeerWelkom bij Oud Soetermeer! Hier vindt u informatie over de geschiedenis van de stad Zoetermeer. Via de werkgroepen kunt u onderzoek doen of daarbij worden geholpen. Hoe u lid kunt worden of aan de activiteiten kunt deelnemen, vindt u ook op deze site.
     
 
 

Jan Hoogerdijk

U bent hier: home › Interviews › Jan Hoogerdijk
In gesprek met Jan Hoogerdijk (2009)
E.W. van den Burg en J.W. Dreise

Inleiding

‘Ik ben geboren op de Delftsewallen op 13 maart 1938. Ons huis was het middelste van een pand van drie. Toen ik één jaar was zijn deze huisjes afgebrand en zijn we verhuisd naar de Leidsewallen nummer 35, naast het café van Jan van Diemen. De oorzaak van de brand weet ik niet. Ik weet wel wie onze buren waren. Dat waren de families Baars en Hoekstra. Dat was Arie Hoekstra die bij Brinkers werkte. Je kan zeggen dat ik eigenlijk opgegroeid ben op de Leidsewallen. Ik denk wel dat bij de brand alle eigendommen weg waren. Laten we eerlijk zijn, in die tijd hadden de mensen niet veel. Mijn vader, Joop Hoogerdijk, was oorspronkelijk boomkweker; hij kwam uit Boskoop. Hij was ook hovenier, nam tuinen aan, vooral in Wassenaar. Grote tuinen, maar toen kwam de Tweede Wereldoorlog en niemand liet meer een tuin aanleggen. Toen is hij in de handel gegaan. Later is hij bij Nutricia gaan werken. Hij is maar 56 jaar geworden. Ik heb nog een broer, Chris en een zus Annie. Mijn moeder is geboren in Zoetermeer en heeft vooraan in de Stationsstraat gewoond in een van de steegjes, die huizen met dat poortje. Ze heette Jo Pauk. Ze was de jongste uit een gezin van, even tellen, waarbij je in de gaten moet houden dat er twee overleden waren, zes kinderen. Zij is zondagsschooljuf geweest in het gebouw in de Dorpsstraat 144 waar vroeger de kleuterschool was en waar later Hayes meubels is gaan verkopen. Ja, ik weet dat ik daar op die kleuterschool ben geweest. Ze is ook penningmeester geweest van de Christelijke Ouderenbond. Ze was sociaal betrokken, was bijdehand, maar had niet geleerd of zo’. Wij wilden graag weten hoe Jan zijn vrije tijd doorbracht als hij van de lagere school om half vier thuiskwam.

Werkjes doen bij kruidenier Van Dorp
‘Nou ja, wat was er te doen op de Wallen, eigenlijk van alles. Kijk, als je de poort uitkwam, we woonden achteraf, dan kwam je op het plein. Daar kon je voetballen natuurlijk. Ging je de andere kant op, dan had je het pakhuis van Willem van Dorp, de kruidenier. Daar was ook altijd wat te doen. Flessen uitzoeken. Wijnand Graas werkte daar, die kenden we van DSO, hij speelde in het eerste van DSO, een aardige vent. Wie werkte er nog meer, Cor Verhoef, die bracht de levensmiddelen met paard en wagen rond, daar kon ik ook goed mee opschieten. ’s Avonds moest het paard in de wei. Die wei was aan het eind van de Dorpsstraat (oost) over de ophaalbrug, ze hebben er nu weer zo’n ophaalbruggetje neergelegd. Net over die brug had je gelijk een hek en daar ging het paard door. Maar hoe dat gebeurde, ik ging op het paard zitten en dan gaf Cor dat paard een klap op zijn kont en dan ging hij als een speer de Dorpsstraat uit. En bij dat hek, dat had Cor wel verteld, eerst het hek open, dan draai je het paard half om, dan het hoofdstel af, want doe je het andersom, heb je de kans, dat je een opsodemieter kreeg van dat paard’.

In alle opzichten bedrijvigheid aan de Leidsewallen
‘Het was een buurt met grote gezinnen. De Klossen, twee maal veertien kinderen, Hogeduin had er acht, Adegeest tien en de Smitten hadden veel kinderen. Dan had je nog gezinnen met “maar” drie of vier kinderen. Allemaal arbeidersgezinnen. Wie had je nog meer? De aannemers Smits. Ja, die kende je Chris Pauk, grootvader van Jan Hoogerdijk, met de hondenkar waarmee hij petroleum uitventte, omstreeks 1920 (coll. Jan Hoogerdijk) ook en met de werkmensen maakte je een praatje en dan het café. Wij woonden er naast, Jan van Diemen. Later is er zijn schoonzoon, Henk de Hollander in gekomen. En je had er een parkeerterrein. De bussen van Citosa kwamen er ook, die draaiden en keerden daar en wachtten tot vertrek. Verder was er veel bedrijvigheid, niet alleen van beurtschippers, maar ook van tuinders. Die kwamen in de zomer eens per dag met groenten op de losplaats met de schuit. Dan werd de groente overgeladen op vrachtwagens van bijvoorbeeld Jo Vroedsteijn. Hij reed naar de veiling in Pijnacker en Slootweg reed naar de veiling van Leiden. Wat er toen ook nog was, het brandweerhuisje. Ja, zodra er brand was, wisten wij dat en van de brandweermensen hoorden wij dan waar de brand was. Ik herinner me dat er een keer brand was bij een boer aan de Voorweg en dan wij er achteraan! En als er bij de Hervormde Kerk een trouwerij of een begrafenis was dan waren wij er ook altijd bij. Er was veel te zien aan en in de omgeving van de Leidsewallen. Niet te vergeten de polder, want zodra je over de kwakel (een voetbrug) was bij de Klossen, was je in de polder. Je kon kijken zover je kon zien. Wat kon je in de polder doen? Voetballen, vissen, slootje springen, zwemmen, in de winter kroetje stappen. Wat dat is? Dat is als het ijs gaat dooien, dan trap je het kapot en probeer je er zo lang mogelijk over te lopen. Heel spannend was dat. En dat zwemmen in de Wallen. Dat was een geweldige tijd’.

Een beurtschipper met wie Jan mocht meevaren
‘Jaap van Beek kwam met zijn schuit ook op de Wallen en bij de Spar, waar hij ook veel voor voer. De Spar had een eigen haventje. Zijn schuit lag ook veel voor zijn deur aan de Schenkel, waar nu de rijwielzaak is van Van Dijk. Jaap voer twee à drie maal per week naar Amsterdam; hij werkte in hoofdzaak voor de Spar. In de zomervakantie mocht ik met hem mee naar Amsterdam. Een geweldige belevenis, onderweg sturen, na de sluis in Amsterdam, dat was ook wel leuk, had je een melkboer, een slager en een bakker dicht bij elkaar. Met wit brood , roomboter en rosbief, alles er dik op, lekkerder kan ik het op dit moment niet bedenken en ik proef het nog steeds. Je sliep in de schuit. Jaap sliep in de kombuis, in het achterste deel van het schip en ik als jongen in het vooronder. Nou, daar lagen een matras en een paar dekens en een kussen en snurken maar. Je moest het ook een beetje verdienen naar mijn idee en dat je niet vervelend was. Maar bij Jaap deed je dat niet, want hij was een heel aardige man, echt een innemende man. Hij had altijd grapjes en geintjes en als jongen vond je het een geweldige kerel, je vond het prachtig dat je mee mocht. Ja, in Amsterdam was het ook geweldig. Jaap had meestal een rode zakdoek met een pannetje er in en daar zat Jaap zijn warme eten in. Hij kon dat opwarmen, aan boord had hij een petroleumstelletje. Wat ik at, zal wel brood geweest zijn. Ja, ’s avonds gingen we naar dat café toe, dat was mooi, bij de aanlegkade, waar hij al die goederen innam. Dat was iets bijzonders in een café in Amsterdam! Dan kreeg je een reep chocolade en een flesje limonade. Dan ging ik naar bed toe, maar Jaap bleef nog even’.

Opa Chris Pauk, een bijzondere man
‘Opa Pauk, die was bij ons in huis. Mijn oma is in de oorlog gestorven. Toen is hij bij ons gekomen. Hij had een bedstee en voor de rest zat hij in de kamer. Een bijzondere man. Nou, hij was bij ons ingetrokken en leefde heel erg mee met het gezin. Hij had astma en de laatste tijd van z’n leven kwam hij weinig buiten. Hij zat altijd met de damstenen te wachten als je uit school kwam. Eerst thee drinken en dan een partijtje dammen. Als het mooi weer was vond ik dammen wel aardig, maar ik ging toch liever voetballen. Jan Hoogerdijk met grootvader Chris Pauk (coll. Jan Hoogerdijk) Op een gegeven moment, partijtje klaar, omkleden en naar buiten, voetballen! Misschien wel aardig om te vertellen van mijn opa. Ik zat op de lagere school in de vijfde klas bij meester Hartog, dat was een goede onderwijzer. Maar wat gebeurde? Die man woonde in Benthuizen en die kreeg een motorongeluk. Hij kwam iedere dag met de motor naar Zoetermeer. We kregen een invaller, een jonge gozer, die zat op de Kweek­school, misschien het laatste jaar, kon geen orde houden, grote klas, dus elke dag schoolblijven met een man of tien. Jan Hoogerdijk, drie kruisjes, Dirk Huurman drie, Sjaak van Wijk natuurlijk, zo was er nog een aantal, die stonden er allemaal op, met gevolg dat we lang na moesten blijven. Die man woonde in Rotterdam en die ging met de bus van vijf uur, dan stapte hij op. Wij zaten ons daar te vervelen, maar we hadden toch niet het lef om weg te lopen. Mijn opa vond het op een gegeven moment te gek worden. Hij zat al met de damstenen klaar. Dus op een gegeven moment wordt er op de deur van het lokaal geklopt. Hij liep met een stok, hij had een hoge hoed op, hij was groot, een statige man. Dus hij klopt op de deur, opent deze, hij wijst naar mij, hij zegt: “Jij naar huis!” Dat was ik en ik wist precies wat hij bedoelde. En ik ging naar huis. De jongens allemaal lachen, brullen, gieren om mijn opa. Nou, de andere dag op school: “Al gehoord, Jan z’n opa is op school geweest!’

Sjors, een schoenmaker van de Wehrmacht
‘Ik ging ook in de oorlog wel eens langs bij Pauw de Bruin, de schoenmaker. Daar werkte ook een aantal Duitsers, ook schoenmakers, die waren ingekwartierd bij De Bruin. Ik kan me nog goed herinneren, dat een van die Duitsers Sjors heette en die kwam wel eens bij ons thuis. Toen was mijn zus Jan Hoogerdijk met ouders in de Dorpsstraat (coll. Jan Hoogerdijk) Annie geboren en die Sjors, die zag dat allemaal en die zat met tranen in zijn ogen. Want wat bleek? Hij had zelf ook een kind van die leeftijd en daarvan was hij zeer onder de indruk. Dat ben ik niet vergeten, het betekende voor mij dat er ook goede Duitsers waren en dat ervaar je dan als jochie’. Via de familie De Bruin zijn wij er achter gekomen dat het in 1943 is geweest dat ene Georg, samen met nog twee leden van de Duitse Wehrmacht de reparatieruimte bij Pauw de Bruin hadden gevorderd. Op 10 augustus 1943 werd er een foto gemaakt: “zur Erinnerung”. Een van deze Duitsers is Georg geweest die genoemd wordt door Jan.

Jan vindt als zesjarige een revolver!
Op een gegeven moment heb ik een revolver gevonden bij ons achter in een ijzeren regenton, half gevuld met water. Ik was daar bezig op de een of andere manier, keek ik in het vat, daar zag ik een vreemd apparaat en het bleek een revolver te zijn, maar ik wist niet dat het een revolver was. Die wilde ik begraven. Net toen ik daar mee bezig was, zag mijn vader dat en die zei: “Waar ben jij mee bezig, wat heb je daar”. Ja, wat ik had wist ik niet, maar ja, hij zegt: “Je hebt een revolver” en vertelde dat het gevaarlijk was. Toen heeft hij die revolver meegenomen en heeft deze weer aan de eigenaar teruggegeven, maar hij heeft nooit verteld wie dat was’.

Vissen met handgranaten
‘En wat ik ook leuk vond, was het vissen. De manier waarop de Duitsers visten in de oorlog. Ze visten met handgranaten in de Dobbe, de Grote Dobbe. Nou, dan werd er een handgranaat gepakt en moet je je voorstellen, een echte scherpe handgranaat, die werd in het water gegooid en het vreemde vond ik, zeker als ik er achteraf over nadenk, dat wij als kinderen er bij waren. Er waren drie of vier Duitsers die dat deden. De handgranaat werd over de dijk gegooid, allemaal duiken, (wij ook) en pats! Die vissen werden verdoofd, werden suf, kwamen naar boven en werden er met een schepnet uitgehaald. Ze verzamelden ze in een schuitje dat ze bij de tuinders hadden gehaald. Dat schuitje schepten ze vol. In de Katholieke Jongensschool waren ze ingekwartierd, daar hadden ze een keuken en daar ging de vis naar toe. Maar, wij waren ook wel slim, dat schuitje brachten de Duitsers niet terug, ze gaven het een dauw, dan pikten wij het op om terug te brengen. Maar in zo’n schuitje zaten houten vlonders, daaronder water en daar zat paling in en die pakten ze niet. Die kropen weg onder die vlonder en het eerste wat wij deden was die vlonder omhoog halen en kijken of er paling zat en die namen we mee’.

Zaken die de bezetter niet moest weten
‘Dat we wat achteraf in de poort woonden heeft in de oorlog een groot voordeel gehad. We hadden blinden, zoals men dat noemde, van die grote houten luiken voor het raam. Als je het niet wist, kon je niet weten dat het huis bewoond was, ook het huisnummer aan de voorkant had mijn vader weggehaald. Dus niemand kon eigenlijk zien, dat het huis bewoond was. De deur stond trouwens altijd open, een houten deur, er zat niet eens een slot op. Het voordeel in de oorlog: Mijn vader slachtte zo nu en dan wel eens een geit of een varken. Een tijd lang hadden we ook een onderduiker. Oom Henk, hij was slager, een aardige man, niet ongezellig. Wat ik me nog goed kan herinneren. Hij kwam uit Pijnacker, had daar een slagerij en om de zo veel tijd ging hij met een taxi naar huis en dan verkleed als vrouw. Ja, als vrouw in die taxi, ik zie het nog helemaal voor me. Hij stapte in die taxi, en als een man als vrouw loopt is dat heel raar. Dan had hij een tasje, een hoofddoek om en dan ging hij even met de taxi naar huis. Ik kon om het schouwspel brullen van het lachen’.

Herinnering aan de Hongerwinter
‘Ik moet er wel bij vertellen, dat ik in 1938 geboren ben, dus wat ik me kan herinneren is van de laatste periode. Maar dat was een periode, dat ik tussen vijf en zeven jaar was. Ik heb me er over verbaasd, dat ik er toch nog zo veel van weet. Wat was er in het laatste gedeelte van de oorlog? Grote honger in de steden, maar dat was bij ons niet zo. Wij hadden wèl te eten, wel mondjesmaat, zeker het laatste gedeelte. Mijn moeder gaf, als iemand kwam bedelen altijd wel iets, maar op een gegeven moment hadden we zelf niet meer. Maar ik kan mij nog goed herinneren, dat er op een gegeven moment een man kwam, een oude man met een grote zwarte jas, ik zie hem nog helemaal voor me, die vroeg ook aan mijn moeder om eten. Mijn moeder zegt: “ik vind het vervelend, maar we hebben zelf niet meer”. Dan zegt hij: “Mevrouw mag ik even bij de kachel zitten?” Mijn moeder zei: “Dat is prima”. We hadden zo’n rond kacheltje met kolen gestookt. Die man ging bij de kachel zitten en omarmde echt die kachel. Maar bij de kachel stond een schoteltje met een paar bruine bonen voor de kat. We hadden een kat in de oorlog en die kat at gewoon mee. En we hadden bruine bonen gegeten en die kat vond het blijkbaar niet lekker. Ik hoor het die man nog zeggen: “mevrouw mag ik die paar bruine bonen opeten?” Mijn moeder: dat gaat mij te ver, dus: “eet jij maar mee straks”. Dus die man heeft meegegeten. Maar dat heeft wel indruk op mij gemaakt’.

De Canadezen komen
‘Maar wat ik nog moet vertellen, dat hoort er echt wel bij, dat zijn de Canadezen. Nederland bevrijd. Op een gegeven moment komen de Canadezen in Zoetermeer. Die kwamen met een aantal vrachtwagens, onder andere een keukenwagen, die kwamen op de Wallen. Nou, dat was geweldig natuurlijk, die militairen. Maar wat de meeste indruk gemaakt heeft was de eerste gekleurde mens die ik gezien heb. Een neger, een heel grote man was dat, ik zie hem zo voor ons staan. We stonden daar met z’n allen te kijken naar die man en op een gegeven moment had hij het door en pakte hij een rolletje snoep, zuurtjes, die had hij in z’n hand en wilde dat aan iemand geven, maar wij stonden daar en in feite durfde niemand naar hem toe te gaan. Toen heb ik dat rolletje gehaald, dat vond hij leuk en ik kreeg nog twee repen chocola, dat was heel bijzonder en lekker. Ja, ik vond het geweldig, die Canadezen’.
 
 

Afbeeldingen

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
 

Interviews