De ontstaansgeschiedenis van Zoetermeer [3]
Zoetermeer is ontstaan in (of voor) de
tiende eeuw als een nederzetting van akkerbouwers en vissers midden in het
grote Hollands-Utrechts moerasgebied dat werd aangeduid als "die Wildernisse".
De vroegste nederzetting met de naam Zoetermeer ontstond naar alle
waarschijnlijkheid in het Lange land, de smalle strook grond tussen de
Leidsewallenwetering (Aziëweg) en de Broekweg (-zijde en -kade). In het zuiden
strekte de het ontgonnen gebied zich uit tot de huidige
Vlamingsstraat/Dorpsstraat, in het noorden liep de ontginning in eerste
instantie tot de op oude kaarten terug te vinden "tweede" of
Groeneweg. Als ontginningsbasis werd een watertje gebruikt dat ongeveer
halverwege deze strook lag: de Aernt Heyndricksvaert (ongeveer ter hoogte van
het sprinterstation De Leyens). Aan weerszijden van deze vaart lagen percelen
met een lengte van ongeveer
|
Schematische weergave van de ligging van de wijken, sprinterlijn en hoofdwegen van het huidige Zoetermeer op de stafkaart uit 1950. Klik hier voor een uitvergroting (106 kB). |
Zoetermeer is nu een stad met meer dan
100.000 inwoners, maar nog geen halve eeuw geleden was het een dorp met slechts
enkele duizenden inwoners. Op de stafkaart uit 1950 ziet Zoetermeer er nog
ongeveer hetzelfde uit als op de vroegste kaarten van dit gebied uit het begin
van de 17e eeuw: een kleine bewoningskern omgeven door akkerland met langs
hoofdwegen verspreide boerderijen. Anno 2000 is dat beeld volledig veranderd en
zijn de polders volgebouwd met woonwijken.
In de elfde en twaalfde eeuw versnelde de
ontginning van de wildernis. De Zoetermeerse ontginning werd naar het westen
uitgebreid. De verlengde zuidgrens van het Lange land, de huidige Voorweg,
vormde de basis voor deze tweede ontginningsfase. De akkers lagen in eerste
instantie aan de noordkant tussen de Voorweg (in 1544 Soetermeerseweg genoemd)
en het Zoetermeerse meer. Ook nu nog is te zien dat de Voorweg richting
Leidschendam door een tweetal knikken de zuidgrens van de Zoetermeerse
Meerpolder volgt.
In het zuidoosten van de huidige gemeente
werd - waarschijnlijk onder leiding van ene Rutger - een nieuw stuk wildernis
ontgonnen: Rutkenvene (Rutgers veen), het latere Rokkeveen. De percelen liepen
vanaf de (mogelijk reeds bestaande) Molenweg, de huidige Stationsstraat,
ongeveer
Om het veengebied in cultuur te brengen was
het nodig om het te ontwateren. Daarvoor werden langs de akkers lange sloten
gegraven. Bij de ontginning lag het veengebied nog boven zeeniveau, en kon het
water worden afgevoerd door eenvoudig een verbinding te maken met een van de
veenstroompjes die afwaterden op de (Oude) Rijn of Maas. Zegwaart en Rokkeveen
waterden van nature af op het noorden. Om dit voor elkaar te krijgen werd een
wetering aangelegd langs de grens met de Zoetermeerse ontginning: de Delftse-
en Leidsewallenwetering. In oude archiefstukken wordt ook wel gesproken van de
Zegwaartsewalle. Deze wetering waterde via de zogenaamde Elleboogsewetering af
op de Weipoortse vliet (oftewel de Zwet) in Zoeterwoude. Langs de wetering lag
een dijk of wal die waarschijnlijk de oudere Zoetermeerse ontginning moest
vrijwaren van wateroverlast van het hoger gelegen Zegwaart.
Dit afwateringssysteem is (dedeeltelijk) nog
in het huidige landschap terug te vinden. Delftsewallenwetering loopt nu nog
vanaf de Oude kerk in het Dorp langs de Sprinterbaan naar het zuiden tot aan de
Rijksweg. De Leidsewallenwetering loopt vanaf de Oude Kerk naar het Noorden,
parallel aan de Aziëweg, tot hij verdwijnt in de Zoetermeerseplas. De
Elleboogsewetering is het hooggelegen water ten Noorden van het strand aan de
Zoetermeerseplas. Overigens werd het al gauw onmogelijk om het water naar het
noorden af te voeren; reeds in de 14e eeuw kregen Zegwaart en Rokkeveen
toestemming om het overtollige water via de Rotte naar het zuiden te lozen.
|
De ontginning van
Zoetermeer, Zegwaart en Rokkeveen (rond het jaar 1300) geprojecteerd op de
stafkaart uit 1950. Klik hier voor een
uitvergroting (125 kB). |
De eerste boeren waren nog vrijwel helemaal
zelfvoorzienend, als pioniers in een uitgestrekte wildernis waren zij immers op
zichzelf aangewezen. Door de toenemende bevolking werd het echter voordelig om
zich - naast het boerenbedrijf - te specialiseren in bepaalde ambachten. Zo
ontstond er langzaamaan een middenstand van bakkers, smeden en andere andere ambachtslieden.
Deze ambachtslieden vestigden zich bij voorkeur in het zwaartepunt van de
bewoning, het liefst bij een kruispunt van wegen. In Zoetermeer was een voor de
hand liggende plaats het "drielandenpunt" tussen Rokkeveen, Zegwaart
en Zoetermeer, op het kruispunt van de Voorweg en de wallenwetering, midden in
de huidige Dorpsstraat.
In de Zoetermeerse ontginning lopen de
kavels overwegend in Noord-Zuid richting (loodrecht op de Voorweg); in de
Zegwaartse ongeveer Oost-West (loodrecht op de Zegwaartseweg). Aan de
Zoetermeerse kant van de Dorpsstraat kon de bebouwing zich eenvoudig
verplaatsen van de omgeving van de Aernt Hendriksvaart naar de Voorweg /
Dorpsstraat. Hier stond de bebouwing op de originele brede kavels. Deze kavels
zijn in de loop van de tijd opgesplitst.
Aan de Zegwaartse kant werd een kavel van de
Zegwaartseweg tot aan de wallenwetering opgeofferd en in smalle percelen
verdeeld. Waarschijnlijk werd dit perceel eerst nog een flink stuk opgehoogd om
wateroverlast tegen te gaan - bij opgravingen in de Dorpsstraat zijn sporen
teruggevonden van een ophoging vóór de 14e eeuw. De percelen aan de Zegwaartse
kant van de Dorpsstraat waren smaller dan die aan de Zoetermeerse kant. Dit
verschil is in het huidige straatbeeldnog steeds goed herkenbaar.
Op de hoek van de Dorpsstraat en de Delftse
wallenwetering verrees de nieuwe gezamenlijke parochiekerk, op de plaats van de
huidige Oude Kerk. De kerk aan de Zwaartslootseweg werd afgebroken, het terrein
werd echter honderden jaren later nog aangeduid als het oude kerkhof. De
Zegwaartse kapel bleef langer bestaan, deze werd pas rond 1610 gesloopt.
Bij bestudering van 17e
eeuwse kaarten van Zoetermeer valt op dat de naamgeving van de Zoetermeerse
ontginning rond de Voorweg en de Zegwaartse en Rokkeveense ontginning overeen
komt. In beide gevallen is sprake van een Voorweg: de Voorweg in Zoetermeer
(ook wel Zoetermeerse Voorweg) en de Zegwaartseweg, die ook wel Zegwaartse
Voorweg genoemd wordt. Evenwijdig aan de Voorweg loopt de Groeneweg of
Achterweg; de Groeneweg in Zegwaart wordt in 1531 Aftergroneweg genoemd.
Opvallend is dat de stukken land ook worden aangeduid met namen die eindigen op
"weg" ("wech" of "wegh"). Het gebied tussen de
voor- en achterweg heet "Binnenweg", het gebied aan de overzijde van
de Voorweg heet "Buitenweg". Het gebied "Voor Seghwaert" op
de kaart van 1615 wordt ook wel Buitenweg genoemd. Het stuk voorbij de
Groeneweg heet in beide gevallen "Bovenweg". Een mogelijke verklaring
voor deze naamgeving is dat het stuk Binnenweg binnen de twee wegen en het stuk
Buitenweg buiten de wegen lag. Bovenweg bestond waarschijnlijk uit onontgonnen,
en dus hoger liggend, wildernis. In Zoetermeer en Zegwaart is Bovenweg nooit
als landbouwgrond in gebruik genomen, in plaats daarvan werd het al vroeg
gebruikt voor de turfwinning. Eenzelfde combinatie van een Voor- en een
Achterweg met stukken land die Buiten-, Binnen- en Bovenweg worden genoemd
treft men verder alleen aan in de ontginning van Hazerswoude en (voor zover
bekend) niet in andere veenontginningen in Holland. Hoe oud deze namen zijn, is
niet bekend.
Tegen het einde van de dertiende eeuw is de
ontginning van het Hollands \veengebied in volle gang. Overal in het gebied
zijn kleinere en grotere stukken grond in cultuur gebracht, maar er zijn ook
nog onontgonnen, 'wilde' stukken land. Van sommige gebieden zijn de rechten
(eigendom en belastingen) geregeld in een contract met de graaf, de zogenaamde
Cope. Andere gebieden zijn van oudsher in bezit van vrij gevestigde boeren of
maken deel uit van een oude grafelijke hofstede. Een aantal gebieden is door de
graaf in leen gegeven aan lagere edelen. Om duidelijkheid te krijgen over het
eigendom van de grond stuurde de graaf in 1296 en 1297 een commissie de veengebieden
in die moest optekenen welke gebieden waren ontgonnen en welke rechten er op de
grond gevestigd waren.
Over Zoetermeer meldt de commissie:
In Zoetermere van der brugghen die dair
leghet ter kerke, vinden wi dat die reesloet van dier brugghe upwart alsoe
recht up gaen sal, alse hi van beneden upcomet; ende van diere rechter ree die
westzide wisen wi dat land an 't langhe land; ambocht ende tiende vinden wi ter
Zoetermere.
De commissie staat op de brug naast de kerk
en ziet een reesloot (grenssloot) recht doorgaan zoals hij vanuit het zuiden
aankomt. Het land aan de westkant van de grenssloot behoort bij het Lange Land,
in het ambacht van Zoetermeer.
Het kan haast niet anders of men staat op de
brug bij de kerk in de Dorpsstraat, de grenssloot is de Leidsewallenwetering.
Voirt van die Broecwege an 't ambocht van
Zoetermere ende vande Kercwege ter merewaert, dat vinden wi den luden toe.
Van de Broekweg en van de Kerkweg naar het
meer, het huidige Buytenwegh en De Leyens, dat is van de luden (lieden). Met de
Kerkwege wordt waarschijnlijk de Voorweg bedoeld, voor de "luden"
leidde deze weg inderdaad naar de kerk in de Dorpsstraat en in de 1463 wordt de
Voorweg aangeduid met "Voorkerckweghe".
Ende voirt van den Kercwege upwaert ten
vene wart an dien van Catwijc, zoe vinden wij 't den Grave toe (...)
Van de Voorweg naar het zuiden, in de
richting van het buurtschap Katwijk bij Pijnacker is het gebied blijkbaar nog
niet in gebruik als akkerland; het wordt aangeduid als "vene" en is
volgens de Commissie als onontgonnen gebied nog eigendom van de Graaf. Nu is
het hele gebied van Zoetermeer verdeeld in drie stukken: het Lange Land, tussen
Broekweg en Leidsewallenwetering, het stuk van de luden tussen Voorweg,
Broekweg en het meer en het resterende stuk van de Graaf.
Blijkbaar stond de kerk reeds in 1296 op
zijn huidige plaats. Deze stelling wordt onderbouwd door resultaten van een
archeologische opgraving op de hoek van de Dorpsstraat en de Leidse wallen,
waarbij 13e eeuwse bewoningssporen werden aangetroffen.
Zegwaart en Rokkeveen worden in het verslag
van de grafelijke commissie in één adem genoemd:
Voirt Ruckenvene ende Zegwaert sonder die
tuschen twee tuiselen, vinden wi den grave arve, rechte ende tiende; twisken
die twee tuiselen vinden wie haren Florens van Brederode toe (...)
De betekenis van het woord tuiselen (het is
ook mogelijk dat er tniselen staat) is onduidelijk, maar mogelijk worden
hiermee de kaden langs de Groeneweg en de Molenweg/Oudeweg bedoeld. Alles
binnen deze twee kaden behoort tot het gebied van heer Florens van Brederode,
die volgens andere bronnen al in 1283 ambachtsheer was van Zegwaart. Het gebied
erbuiten is in 1296 ontgonnen en daarom eigendom van de graaf.
Met de verplaatsing van de bewoningskern
naar de huidige Dorpsstraat ontstond het tweelingdorp Zoetermeer-Zegwaart, dat
in de eeuwen die erop volgden weinig zou veranderen - tot 1960, toen het werd
aangewezen als groeikern.
De structuur van het dorp
Zoetermeer-Zegwaart veranderde wellicht weinig in de eeuwen na 1300, de omgeving
des te meer. In eerste instantie werd de ontginning nog enige tijd voortgezet.
Het gebied ten zuiden van de Voorweg tot de Groeneweg werd in cultuur gebracht.
Door de ontwatering die nodig was voor het plegen van landbouw klonk echter het
veen in, zodat men langzamerhand steeds meer moeite kreeg om het land boven
water te houden. In de veertiende eeuw ging men dan ook over op een ander soort
grondgebruik: turfsteken. In de loop der eeuwen werd de hele vier meter dikke
laag veen als turf afgevoerd en verkocht en ontstonden er waterplassen die het
grootste deel van de oppervlakte van het ambacht bedekten. Pas in de 17e eeuw
werden deze gebieden weer op het water heroverd en ontstond het huidige
polderlandschap.
Met het originele oppervlak verdwenen ook de
sporen van de vroege nederzettingen in dit gebied. Voor informatie over de
ontginning zijn we aangewezen op papieren bronnen van honderden jaren na dato
en van archeologische vondsten op de schaarse plekken waar de veenlaag gespaard
is gebleven. Daarom is het verhaal van het ontstaan van Zoetermeer altijd een
verhaal van hoe het geweest zou kunnen zijn. Ook in deze korte serie heb ik
(met enige stelligheid) een beeld geschetst dat niet de absolute waarheid is,
maar slechts een hypothese.
Volgend: Kasteel
Palenstein